Het turbo-tijdperk verwijst naar twee verschillende periodes in de Formule 1 waarin turbomotoren werden ingezet. De eerste periode liep van 1977 tot 1989 en staat bekend als het 'klassieke turbo-tijdperk'. De tweede periode begon in 2014 en duurt tot vandaag, waarin hybride turbomotoren worden gebruikt.
Het eerste turbo-tijdperk (1977-1989)
Renault brak het ijs in 1977 met de introductie van de eerste turbomotor in de F1: een 1,5-liter V6. Deze motor kreeg al snel de bijnaam 'gele theepot' vanwege zijn kleur en de neiging om oververhit te raken. De turbotechnologie maakte het mogelijk om met veel kleinere motoren extreme vermogens te halen. Begin jaren 80 namen steeds meer teams turbomotoren over. Midden jaren 80 bereikten deze motoren waanzinnige vermogens: meer dan 1.000 pk in de race en soms zelfs 1.400 tot 1.500 pk tijdens kwalificaties.
Het nadeel van deze enorme kracht was de gevaarzetting. Auto's waren moeilijk te besturen door het plotselinge vermogen en de zogenaamde 'turbolag' - de vertraging tussen gas geven en het daadwerkelijk krijgen van vermogen. De FIA voerde vanaf 1987 beperkingen in op turbodruk en brandstofcapaciteit. In 1989 werden turbomotoren volledig verboden om veiligheidsredenen, waarna er werd overgestapt op atmosferische 3,5-liter motoren.
Het moderne turbo-tijdperk (2014-heden)
In 2014 keerde de turbo terug, maar nu als onderdeel van een hybride systeem. De huidige motoren zijn 1,6-liter V6-turbomotoren gecombineerd met elektrische componenten voor energie-terugwinning (ERS). Deze power units leveren rond de 1.000 pk, maar de focus ligt nu op efficiëntie in plaats van pure kracht. De motoren zijn stiller dan hun voorgangers en gebruiken aanzienlijk minder brandstof, wat aansluit bij de duurzaamheidsdoelen van de autosport.
Teams als Mercedes, Ferrari en Honda domineerden de eerste jaren van dit tijdperk dankzij hun technologische voorsprong in deze complexe hybride technologie.