Van Zuid-Amerikaanse grindwegen naar Europa
Juan Manuel Fangio leerde racen niet op een circuit, maar op de weg. Als jongeman reed hij in Argentinië meerdaagse langeafstandswedstrijden over grindwegen door de Andes en de pampa’s, in auto’s die eerder op een taxi dan op een racewagen leken. Die jaren op onverharde wegen legden de basis voor een rijstijl die later beroemd zou worden om zijn precisie en rust onder druk.
Pas na de Tweede Wereldoorlog, met steun van de Argentijnse automobielclub, stak Fangio over naar Europa om zich te meten met de gevestigde coureurs. Bij Alfa Romeo maakte hij indruk en toen de FIA in 1950 het officiële wereldkampioenschap voor het eerst organiseerde, stond hij meteen op het podium van de eerste seizoenen.
Vijf titels bij vier verschillende constructeurs
Fangio pakte in zijn carrière in totaal vijf wereldtitels, waarvan vier op rij tussen 1954 en 1957. Wat dat record extra bijzonder maakt: hij deed het bij verschillende merken. Na zijn eerste titel bij Alfa Romeo in 1951 trok hij naar Maserati en vervolgens naar Mercedes, waar hij in 1954 en 1955 domineerde met de W196, met Stirling Moss als teamgenoot.
Toen Mercedes zich na het seizoen van 1955 terugtrok uit de racerij, stapte Fangio over naar Ferrari en pakte daar in 1956 zijn vierde titel. De verstandhouding met Enzo Ferrari was echter nooit warm. Toen Fangio na dat seizoen alsnog terugkeerde naar Maserati, liet Ferrari zich achteraf kritisch uit over die overstap; trouw bleek niet zijn sterkste kant, vond de Italiaan. Bij Maserati pakte Fangio in 1957 zijn vijfde en laatste titel, met de 250F als wapen.
De rit van Nürburgring, 1957
De Duitse Grand Prix van 1957 op de Nürburgring geldt als het hoogtepunt van zijn carrière. Fangio startte als polesitter, maar moest tijdens een pitstop kostbare seconden toegeven aan de Ferrari’s van Mike Hawthorn en Peter Collins. Wat volgde was een achtervolging waarin hij ronde na ronde zijn eigen ronderecord verbeterde, tot hij beide Ferrari’s op het laatste stuk voorbijging. Het was zijn laatste Grand Prix-zege en tegelijk de rit die zijn vijfde titel bezegelde, een kampioenschapsrecord dat 46 jaar overeind bleef, tot Michael Schumacher het begin deze eeuw evenaarde en verbrak.
Zijn teamgenoot bij Mercedes, Stirling Moss, sprak decennia later nog met bewondering over hem: “Most of us who drove quickly were bastards,” zei Moss ooit over de coureurs uit die tijd, om er direct aan toe te voegen dat Fangio daarop de uitzondering was. Die combinatie van felle concurrentie op de baan en respect ernaast typeert het beeld dat van Fangio is blijven hangen bij tijdgenoten als Alberto Ascari en Giuseppe Farina.
Ontvoerd in Cuba en een stil afscheid
Het seizoen 1958 werd voor Fangio, inmiddels 46 jaar oud, er een van uitzonderingen in plaats van overwinningen. Aan de vooravond van de Cubaanse Grand Prix in Havana werd hij vanuit zijn hotel ontvoerd door rebellen van de 26 juli-beweging van Fidel Castro, een actie van een groep aanhangers van Castro tegen het bewind van Batista. Hij werd na afloop van de race ongedeerd vrijgelaten.
Fangio reed dat seizoen nog maar twee Grands Prix, in Argentinië en Frankrijk, voordat hij zijn actieve carrière beëindigde. Een groot afscheidsfeest bleef uit. Na zijn pensioen bleef hij wel verbonden aan de sport, onder meer als ambassadeur voor Mercedes-Benz en als eregast bij races.
Nalatenschap
Fangio, die de bijnaam El Maestro droeg, overleed op 17 juli 1995 op 84-jarige leeftijd in Buenos Aires. Zijn record van vijf wereldtitels bleef bijna een halve eeuw overeind. Vergelijkingen tussen hem en latere kampioenen duiken sindsdien geregeld op, al reed Fangio zijn titels bij niet twee maar vier verschillende constructeurs bij elkaar.
Voor een generatie fans die hem nooit heeft zien rijden, blijft Fangio vooral bekend van beelden in zwart-wit: een kleine man in een linnen overall, zonder gordels, op smalle banden over circuits zonder vangrails. Wie de statistieken van die jaren vijftig naast elkaar legt, ziet vooral een winstpercentage dat sindsdien niemand meer heeft benaderd.
