Brabham is een van de invloedrijkste namen uit de geschiedenis van de Formule 1. Het team werd opgericht door de Australische coureur Jack Brabham en ontwerper Ron Tauranac en reed tussen 1962 en 1992 mee in het wereldkampioenschap. In die drie decennia won Brabham twee constructeurstitels en leverde het team vier wereldkampioenen op, voordat geldproblemen in de jaren negentig een einde maakten aan het bestaan van het team.
Oprichting door Jack Brabham
Jack Brabham had voordat hij zijn eigen team begon al twee wereldtitels op zak, behaald voor Cooper. Samen met Ron Tauranac richtte hij Motor Racing Developments op, de fabriek achter de auto’s die onder de naam Brabham aan de start verschenen. Het team bouwde zowel klantenchassis voor andere raceklassen als zijn eigen Formule 1-auto’s, met een fabriek die achtereenvolgens in Weybridge, Chessington en Milton Keynes gevestigd was.
Titels in de jaren zestig
Jack Brabham won in 1966 de wereldtitel en werd daarmee de enige coureur ooit die het kampioenschap won in een auto die zijn eigen naam droeg. Dat seizoen pakte het team ook de constructeurstitel, met motoren van het Australische Repco. Een jaar later herhaalde Brabham dat huzarenstukje: het team won opnieuw het constructeurskampioenschap, ditmaal met Denny Hulme als wereldkampioen bij de coureurs.
De Ecclestone-jaren
Tijdens de jaren zeventig en tachtig was Brabham in handen van de Britse zakenman Bernie Ecclestone, die later de commercieel directeur van de Formule 1 zou worden. Onder zijn leiding, met ontwerper Gordon Murray aan het tekenbord, groeide Brabham opnieuw uit tot een team dat om overwinningen kon strijden. In 1978 verscheen de beruchte BT46B, de zogeheten ‘fan car’, die met een grote ventilator de auto naar het asfalt zoog en na één race alweer werd teruggetrokken om discussie te vermijden.
Met Nelson Piquet achter het stuur pakte Brabham in 1981 een wereldtitel en in 1983 nog een, ditmaal met een BMW-turbomotor. Dat laatste kampioenschap was tevens het eerste met een turbomotor in de geschiedenis van de Formule 1. Piquet versloeg Alain Prost dat jaar met een verschil van slechts twee punten.
Neergang in de jaren tachtig en negentig
Na de titel van 1983 gingen de prestaties geleidelijk achteruit. De teruglopende resultaten leidden ertoe dat Ecclestone het team in 1988 verkocht aan de Japanse Middlebridge Group, wat ook verklaart waarom Brabham dat seizoen helemaal niet aan de start verscheen. In 1987 sloot het team het kampioenschap nog af op de achtste plaats met 10 punten, de beste eindpositie uit deze latere periode van het team. Na de sabbatical van 1988 keerde Brabham in 1989 terug en eindigde als negende met 8 punten.
De jaren daarna werden alleen maar moeilijker. In 1990 en 1991 kwam het team niet verder dan de tiende plaats in het constructeurskampioenschap, met respectievelijk 2 en 3 punten. Onder de motorleveranciers uit deze periode waren Ford Cosworth, Judd en Yamaha, geen van allen genoeg om het team weer naar de top te brengen.
In 1992 begon het team het seizoen met Eric van de Poele en later Giovanna Amati, voordat Damon Hill, de zoon van oud-Brabham-coureur en wereldkampioen Graham Hill, instapte. Het mocht niet meer baten: Brabham sloot halverwege het seizoen definitief de deuren vanwege schulden bij Landhurst Leasing, een instorting die zelfs tot een onderzoek door de Britse fraudebestrijdingsdienst leidde. Het team eindigde dat jaar zonder geklasseerde positie en zonder punten.
Geen opvolger op de grid
Anders dan sommige historische teamnamen die via overnames zijn blijven voortbestaan onder een andere naam, verdween Brabham simpelweg van de grid. Een Duits bedrijf probeerde in 2009 nog de naam Brabham nieuw leven in te blazen voor het seizoen 2010, maar die poging strandde. Er bestaat dan ook geen directe opvolger van het team in de huidige Formule 1.
Erfenis
Met twee constructeurstitels, vier drivers’ titels verdeeld over Jack Brabham, Denny Hulme en Nelson Piquet (tweemaal), en technische vondsten als de fan car geldt Brabham als een van de invloedrijkste teams uit de geschiedenis van de sport. De naam leeft voort in de herinnering aan een tijdperk waarin een coureur nog zijn eigen team kon bouwen, ermee kon racen en er zelfs het kampioenschap mee kon winnen.
