Tyrrell begon niet als Formule 1-fabrikant, maar als kweekvijver voor rijderstalent. Tyrrell werd in 1958 opgericht en reed aanvankelijk met Formule 3-auto’s. In 1968 zette Ken Tyrrell, met steun van Ford en Elf, de stap naar de Formule 1 als Matra International. Het team opereerde in de begindagen met een handjevol man en een chassis van de Franse constructeur Matra, terwijl Tyrrell zelf de rest van de operatie runde.
De gouden jaren met Jackie Stewart
In het debuutseizoen 1968 boekte Jackie Stewart al drie overwinningen en eindigde hij als tweede in het kampioenschap. Een jaar later pakte de Schot met zes zeges moeiteloos de titel, terwijl Matra-Tyrrell in nog maar het tweede jaar van het samenwerkingsverband ook het constructeurskampioenschap won. Toen Tyrrell vanaf 1970 met een eigen chassis ging rijden, bleef Stewart de maatstaf. Met de Tyrrell 003 en de Tyrrell 006 pakte hij in 1971 en 1973 nog twee wereldtitels. Het maakte van de kleine renstal uit Surrey een van de sterkste ploegen op de grid.
De P34: een zeswielig experiment
Tyrrell stond bekend als een team dat niet bang was om te experimenteren. Dat bleek het duidelijkst in 1976, met de introductie van de P34, de enige zeswielige auto in de geschiedenis van de Formule 1 die een Grand Prix wist te winnen. De vier kleine wielen aan de voorzijde moesten de luchtweerstand verlagen en de grip verbeteren, waardoor de auto een van de meest herkenbare ontwerpen uit de sport werd. Het concept vond geen navolging en verdween na enkele seizoenen weer van de grid, maar het onderstreepte de vindingrijkheid van het team.
Neergang in de jaren negentig
Na de successen uit de jaren zeventig werd het voor een klein, onafhankelijk team steeds lastiger om de aansluiting bij de fabrieksploegen te behouden. Tyrrell wisselde in deze periode regelmatig van motorleverancier, van Cosworth en Renault tot Honda, Ilmor en uiteindelijk Yamaha, zonder dat dit structureel voor meer snelheid zorgde.
De cijfers vertellen het verhaal van de neergang. In 1993 kwam het team niet tot scoren. Een jaar later volgde een korte opleving: met dertien punten werd Tyrrell zevende in het constructeurskampioenschap, de beste klassering uit deze fase van het bestaan. Daarna ging het gestaag bergafwaarts: negende in 1995 met vijf punten, achtste in 1996 met eveneens vijf punten en tiende in 1997 met twee punten. In 1998, het laatste jaar onder eigen naam, bleef de teller weer op nul steken.
Verkoop aan British American Tobacco en erfenis
Eind 1997 stemde Ken Tyrrell in met de overname van zijn team door British American Tobacco, met Craig Pollock als drijvende kracht achter de deal, waarbij de auto’s in 1998 nog als Tyrrell aan de start verschenen voordat het team het seizoen erna verderging als BAR. De Tyrrell 026 werd zo de laatste auto die voor het team aan een Formule 1-seizoen deelnam. Via de overname ontstond eerst BAR, dat later Honda werd en in 2010 opging in Mercedes, een van de succesvolste teams van de moderne Formule 1. Ken Tyrrell zelf maakte die ontwikkeling niet lang meer mee: hij overleed op 25 augustus 2001 op 77-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.
Los van de resultaten op de baan bouwde Tyrrell een reputatie op als opleider van talent. Coureurs als Jean Alesi dankten hun eerste kans in de Formule 1 aan het vertrouwen van Ken Tyrrell. Die combinatie van vindingrijkheid, een kleine schaal en een scherp oog voor rijders maakte het team, ook los van de titels uit de jaren zeventig, tot een van de meer gewaardeerde namen uit de geschiedenis van de sport.
