Alberto Ascari: het dubbele wereldkampioenschap van Ferrari’s eerste ster
Alberto Ascari is tot op de dag van vandaag de enige Italiaanse wereldkampioen in de geschiedenis van de Formule 1. De coureur uit Milaan won in 1952 en 1953 op rij de titel met Ferrari en was daarmee de eerste coureur die het kampioenschap twee keer achter elkaar pakte. Zijn rijstijl viel op door beheersing: Ascari joeg zelden zijn materiaal de vernieling in en gold als een van de meest precieze coureurs uit een tijdperk waarin racen levensgevaarlijk was.
Racen in het bloed
Ascari werd op 13 juli 1918 geboren als zoon van Antonio Ascari, zelf een gevierd coureur in de jaren twintig. Toen Alberto zeven was, kwam zijn vader om het leven tijdens de Grand Prix van Frankrijk van 1925. Het verlies hield hem niet tegen. Ascari begon op motoren en stapte daarna over op auto’s, met steun van de familie Ferrari, die de Ascari’s al kende via Antonio.
Twee titels op rij
Bij Ferrari groeide Ascari in de eerste jaren van het wereldkampioenschap uit tot de maatstaf. In 1952 won hij zes van de zeven races die meetelden voor het kampioenschap met zijn Ferrari 500. Een jaar later herhaalde hij het kunststuk met vijf overwinningen en pakte hij zijn tweede titel op rij. Daarmee was Ascari niet alleen de eerste dubbele wereldkampioen van de sport, maar ook de eerste wereldkampioen in Ferrari-dienst.
Zijn grootste rivaal in die jaren was landgenoot Nino Farina, teamgenoot bij Ferrari en minstens zo eigenzinnig achter het stuur. Later, toen Juan Manuel Fangio in beeld kwam, ontstond een tweede noemenswaardige strijd, al kruisten hun degens elkaar door Ascari’s vroege dood nooit op volle sterkte.
Na de titels stapte Ascari over naar Lancia, dat met de D50 een geheel nieuwe wagen ontwikkelde. Het project liep vertraging op, waardoor Ascari in 1954 slechts een handvol races reed en zijn titelverdediging al vroeg strandde. Bij Lancia moest hij wachten tot 1955 voordat de auto echt klaar was voor de strijd vooraan.
Bijgeloof en een lichtblauwe helm
Ascari stond bekend als notoir bijgelovig. Het getal 13 joeg hem angst aan en hij liet niemand aan zijn racekleding of aan zijn lichtblauwe helm komen, die daardoor uitgroeide tot zijn handelsmerk. De ironie wilde dat Ascari zelf op de dertiende van de maand werd geboren en op de zesentwintigste, tweemaal dertien, zou sterven.
Monaco, Monza en een griezelige parallel
Het seizoen 1955 begon slecht: Ascari viel uit in Argentinië nadat hij vanaf de tweede startplek lange tijd had gereden. In Monaco leek hij op weg naar de zege, tot hij in de haven-chicane de macht over het stuur verloor en zijn Lancia in het water van de haven belandde. Hij kwam er met lichte verwondingen vanaf.
Vier dagen later, op 26 mei 1955, testte Ascari in Monza een Ferrari 750 Monza, niet eens zijn eigen wagen. Omdat hij zijn eigen racepak en zijn lichtblauwe geluksbrenger niet bij zich had, leende hij een helm van zijn vriend en collega-coureur Eugenio Castellotti. Tijdens die test verloor hij de macht over het stuur en kwam hij om het leven. Hij werd 36 jaar oud, exact de leeftijd waarop zijn vader Antonio dertig jaar eerder omkwam tijdens een Grand Prix.
Erfenis
Ascari werd bijgezet naast zijn vader op het Cimitero Monumentale in Milaan. Zijn dood, na de bijna-verdrinking in Monaco, behoort tot de bekendste tragedies uit de vroege geschiedenis van de sport. Meer dan zeventig jaar later is hij nog altijd de enige Italiaanse wereldkampioen die de Formule 1 heeft voortgebracht, een status die zijn naam blijvend verbindt aan de gloriejaren van Ferrari in het begin van het kampioenschap.
