Wereldkampioen met Brabham
Denny Hulme uit Nieuw-Zeeland werd in 1967 wereldkampioen in de Formule 1, rijdend voor Brabham naast teameigenaar en rijder Jack Brabham zelf. Waar Jim Clark en Jack Brabham dat seizoen de snelste auto’s leken te hebben, won Hulme de titel vooral door consistentie: hij hoefde zelden op te geven en pakte punten waar zijn concurrenten dat lieten liggen. Tot op de dag van vandaag is hij de enige Nieuw-Zeelandse wereldkampioen uit de geschiedenis van de sport.
Hulme was afkomstig uit een generatie Nieuw-Zeelandse en Australische coureurs die in de jaren zestig naar Europa trokken om hun geluk te beproeven, met Bruce McLaren als bekendste landgenoot en latere teambaas. Terwijl namen als Jim Clark, Graham Hill en Jackie Stewart de krantenkoppen haalden, bouwde Hulme in de luwte een carrière op die uiteindelijk toch met de hoogste eer werd bekroond.
De bijnaam ‘The Bear’
Hulme stond bekend als een man van weinig woorden. Zijn nuchtere, wat afstandelijke houding tegenover de pers leverde hem al vroeg de bijnaam ‘The Bear’ op. Binnen de garage werd hij juist gewaardeerd om zijn eerlijkheid en technisch inzicht, iets wat hij als voormalig monteur had meegenomen uit zijn jaren voordat hij zelf achter het stuur kroop.
Teamleider bij McLaren
Na zijn titeljaar stapte Hulme over naar McLaren, waar hij tot het einde van zijn carrière zou blijven. Naast de Formule 1 reed hij voor het team ook in de Can-Am-serie in Noord-Amerika, waarin hij de titel pakte in 1968 en 1970. Toen teameigenaar Bruce McLaren in juni 1970 omkwam bij een testongeluk, werd Hulme de onbetwiste kopman van het team. Hij droeg die verantwoordelijkheid de rest van zijn loopbaan, ook toen het team in de jaren erna wisselende resultaten liet zien tussen de topteams van die periode.
1973 en 1974: de laatste seizoenen
In 1973 liet Hulme zien dat hij nog altijd mee kon doen aan de top. Hij begon het seizoen met een podium in Brazilië en noteerde later pole position in Zuid-Afrika, voordat hij in Zweden zijn enige Grand Prix-overwinning van dat seizoen boekte na een start vanaf de zesde plek. Een podium bij de Britse Grand Prix bevestigde dat McLaren nog altijd een factor was tussen de topteams.
Zijn afscheidsjaar 1974 opende meteen sterk: Hulme won de Argentijnse Grand Prix, de openingsrace van het seizoen, na een start van de tiende plaats op de grid. Later dat jaar voegde hij in Oostenrijk nog een tweede plaats toe aan zijn palmares. Aan het einde van 1974 zette hij een punt achter zijn Formule 1-carrière, terwijl McLaren dat jaar met Emerson Fittipaldi de wereldtitel binnenhaalde.
Na de Formule 1 en overlijden
Na zijn afscheid van de Formule 1 bleef Hulme actief in de autosport, onder meer in de Australische toerwagenklasse. Tijdens de Bathurst 1000 in 1992 kreeg hij achter het stuur een hartaanval, waarna hij zijn auto nog veilig tot stilstand wist te brengen voordat hij overleed. Hij werd 56 jaar oud. Binnen de sport wordt hij herinnerd als een rijder die met weinig poeha een wereldtitel binnenhaalde en jarenlang de ruggengraat vormde van McLaren in een periode waarin het team zijn plek tussen de topploegen moest bevechten.
