Jim Clark komt van een boerderij in Fife, in het oosten van Schotland, en zijn familie zag aanvankelijk niets in autoracen. Hoewel zijn familie tegen het idee was, begon hij deel te nemen aan verschillende motorsportkampioenschappen. Dat verzet duurde niet lang: begin jaren zestig groeide Clark uit tot de maatgevende coureur van zijn generatie.
Doorbraak bij Lotus
Vanaf 1961 was Jim een vaste waarde in het Lotus Grand Prix-team onder teambaas Colin Chapman en tegen het einde van zijn eerste seizoen was hij al de belangrijkste coureur. Een jaar later kwam de wereldtitel dichtbij. In 1962 introduceerde Chapman de Lotus 25 met zijn baanbrekende, volledig dragende monocoque, destijds de eerste in de Formule 1. Clark won drie Grands Prix, in België, Groot-Brittannië en Frankrijk, en eindigde als tweede in het kampioenschap achter Graham Hill.
In 1963 volgde de ontknoping. Clark en Lotus werden een dominante combinatie en wonnen zeven van de tien Grands Prix, waarmee de titel al met drie races in het verschiet werd binnengehaald. Op dat moment gold hij als de jongste wereldkampioen ooit: bij zijn eerste titel in 1963 werd Clark de jongste wereldkampioen, op 27 jaar en 188 dagen.
Tweede titel en Indianapolis
Twee jaar later herhaalde Clark het kunststuk. In 1965 won hij zes van de tien races en daarmee zijn tweede wereldtitel. Datzelfde jaar voegde hij er iets aan toe wat voor een Formule 1-coureur zeldzaam is: hij won ook de Indianapolis 500 in 1965, de eerste overwinning op die baan met een auto met de motor achterin. De combinatie van een F1-titel en een Indy-zege in hetzelfde jaar bleef lange tijd uniek.
De band tussen Clark en zijn teambaas was bijzonder hecht. Clark en Chapman stonden inmiddels zo dicht bij elkaar als broers. Chapman bouwde de auto’s om Clarks rijstijl heen, Clark op zijn beurt bleef Lotus trouw terwijl andere topteams met geld zwaaiden.
De Lotus 49 en het seizoen 1967
Voor 1967 kwam Lotus met de Type 49, gebouwd rond de nieuwe Ford-Cosworth DFV-motor. Het debuut van die combinatie werd meteen een schoolvoorbeeld van hoe dominant Clark en Lotus konden zijn: in het chassis 49/2 maakte de DFV op sensationele wijze zijn opwachting in de Formule 1, met Clark aan het stuur naar een zege bij het debuut op de Dutch Grand Prix in Zandvoort. Teamgenoot Graham Hill pakte pole, maar viel uit met een defect, waarna Clark de zege greep. Het seizoen daarna kende wisselend geluk: naast de zege in Zandvoort volgden overwinningen in Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Mexico, met daartussen een reeks uitvalbeurten vanaf poleposition, een teken dat de Lotus 49 snel maar broos was.
Dodelijk ongeval in Hockenheim
Clark begon 1968 zoals hij 1967 had afgesloten: met een zege, in Zuid-Afrika. Enkele maanden later kwam er abrupt een einde aan zijn loopbaan. Op 7 april 1968 verloor hij het leven tijdens een Formule 2-race op de Hockenheimring. Clark crashte in de vijfde ronde en kwam in aanraking met een boom, waardoor hij zijn nek brak en een schedelbreuk opliep. Hij overleed nog voordat hij het ziekenhuis bereikte. De precieze oorzaak van het ongeval, mogelijk een bandenprobleem, is nooit met zekerheid vastgesteld.
Nalatenschap
Clark reed zijn hele Formule 1-loopbaan voor Lotus en bouwde in 72 starts een recordreeks op qua winpercentage die decennia stand hield. Meer dan de statistieken is het vooral zijn reputatie als rijder die bleef hangen. In de auto was hij bijna onaantastbaar, terwijl hij daarbuiten kwetsbaar leek en altijd een aarzelende held bleef. Die combinatie van snelheid en bescheidenheid maakte hem tot een van de meest gerespecteerde coureurs uit de geschiedenis van de sport, en zijn naam duikt tot op de dag van vandaag op in elk lijstje van beste Formule 1-coureurs aller tijden.
