Een compound is de rubbermengsel waaruit een Formule 1-band is gemaakt. Het bepaalt hoe hard of zacht de band is, en dus ook hoeveel grip deze biedt en hoe lang deze meegaat. In de F1 gebruiken teams verschillende compounds tijdens een raceweekend, afhankelijk van het circuit en de weersomstandigheden.
Bandenleverancier Pirelli heeft een reeks compounds ontwikkeld die worden genummerd van C1 tot C5 (vanaf 2026). Voor elk raceweekend kiest Pirelli drie van deze compounds uit, gebaseerd op de eigenschappen van het circuit. De gekozen compounds krijgen tijdens het weekend eenvoudige namen: hard (wit), medium (geel) en soft (rood).
Hoe werkt een compound?
Een zachte compound biedt meer grip omdat het rubber beter contact maakt met het asfalt. Maar deze band slijt ook sneller.
Een interessant detail: dezelfde compound kan op het ene circuit de 'soft' zijn en op een ander circuit de 'hard'. Zo kan de C3-compound op Spa de zachte band zijn, maar tijdens een stratencircuit zoals Monaco kan diezelfde C3 juist de harde band zijn omdat daar nog zachtere compounds worden ingezet.
Strategische keuzes
Teams moeten tijdens een droge race minstens twee verschillende droge compounds gebruiken. Dit zorgt voor verplichte pitstops en maakt de racestrategie interessanter. Zachte banden worden vaak gebruikt voor korte stints of kwalificatie, terwijl harde banden geschikt zijn voor lange runs. De medium-compound zit daartussen en biedt een goede balans tussen snelheid en duurzaamheid.
Bij regen schakelt men over naar speciale regenbanden: intermediates (groen) voor lichte regen en full wets (blauw) voor zware regenval. Deze hebben groeven om water af te voeren en zijn van een ander compound gemaakt dan slicks.
Voor 2026 heeft Pirelli besloten Dit moet voor duidelijkere strategische keuzes zorgen tijdens races.