Kevlar is een synthetische vezel die wordt gebruikt in verschillende onderdelen van een Formule 1 auto vanwege zijn uitzonderlijke sterkte en lichte gewicht. Dit materiaal, dat vijf tot tien keer sterker is dan staal maar veel lichter, speelt een belangrijke rol in de veiligheid van coureurs en auto's.
Het materiaal werd in 1965 ontwikkeld door DuPont en is vooral bekend van kogelvrije vesten. In de Formule 1 komt Kevlar op meerdere plekken voor. De brandstoftank van een F1-auto wordt gemaakt van militair-grade Kevlar dat is versterkt met rubber. Deze tank is zo sterk dat hij vrijwel niet kapot te krijgen is, zelfs niet bij harde crashes. Omdat Kevlar flexibel is in vezelvorm, kan de tank buigen tijdens een impact zonder te breken. Dit is veel veiliger dan de oude metalen tanks die bij een ongeluk gemakkelijk konden scheuren en brand veroorzaken.
Ook de monocoque, de overlevingscel waar de coureur in zit, heeft een laag Kevlar. Deze laag voorkomt dat scherpe onderdelen van de ophanging naar binnen kunnen dringen en de coureur verwonden. Deze regel werd ingevoerd na een ongeval waarbij een ophangingsonderdeel door de monocoque drong en de coureur verwondde.
Verplicht gebruik in aerodynamische onderdelen
De FIA schrijft voor dat bepaalde onderdelen aan de voorkant van de auto, zoals de eindplaten van de voorvleugel, een buitenlaag van Kevlar moeten hebben. Dit is om te voorkomen dat bij aanrakingen tussen auto's scherpe koolstofvezel-splinters de banden beschadigen. Kevlar houdt de koolstofvezel bij elkaar, zelfs wanneer een onderdeel schade oploopt.
Daarnaast wordt Kevlar gebruikt in wielbeveiligingsbanden die de wielen aan het chassis verbinden tijdens een crash. Ook in coureurs helmen zitten lagen Kevlar om bescherming te bieden tegen harde impacts. Een ander interessant gebruik is in onderdelen waar elektronische signalen doorheen moeten. In tegenstelling tot koolstofvezel laat Kevlar radiosignalen door, daarom zie je soms gele Kevlar-vlakken in onderdelen zoals de motorkap.