Traction control (tractiecontrole) is een elektronisch systeem dat wielspin voorkomt door automatisch het motorvermogen te verminderen wanneer de aangedreven wielen grip verliezen. In de Formule 1 is dit systeem sinds 2008 verboden om de nadruk terug te leggen op de vaardigheid van de coureur.
Hoe werkte traction control?
Het systeem monitorde de snelheid van alle wielen via sensoren. Wanneer de achterwielen sneller draaiden dan de voorwielen – een teken van wielspin – greep de computer in. Het motorvermogen werd direct verminderd door de brandstoftoevoer te verminderen, het ontstekingsmoment aan te passen of de gasklep te beperken. Dit gebeurde in fracties van een seconde, veel sneller dan een coureur zelf kon reageren.
Het doel was om de banden in het optimale slipbereik te houden. F1-banden werken namelijk het beste met een klein beetje slip. Te veel wielspin betekent verlies van tractie en kostbare tijd, vooral bij het uitkomen van bochten waar acceleratie belangrijk is.
De geschiedenis in de Formule 1
Traction control verscheen voor het eerst in de Formule 1 rond 1990. Begin jaren negentig werd het populair bij teams als Williams en Benetton. De FIA verbood het systeem in 1994, omdat men vond dat technologie te veel de overhand kreeg en rijvaardigheid naar de achtergrond verdween. Het controleren van teams bleek echter lastig door de complexe software in de motormanagement systemen.
In 2001 hief de FIA het verbod op omdat handhaving praktisch onmogelijk was. Teams ontwikkelden steeds slimmere manieren om het reglement te omzeilen. Van 2001 tot 2008 was traction control weer toegestaan. In 2008 werd het definitief verboden door de introductie van een standaard ECU (Electronic Control Unit) die door alle teams gebruikt moest worden. Hierdoor kon de FIA eindelijk effectief controleren of teams zich aan het verbod hielden.
Waarom is het verboden?
Het verbod heeft meerdere redenen. Ten eerste maakt het de auto's moeilijker om te besturen, waardoor het verschil tussen goede en excellente coureurs beter zichtbaar wordt. Zonder traction control moeten coureurs zelf het gaspedaal doseren, vooral bij langzame bochten en in natte omstandigheden. Een fout kan leiden tot wielspin, verlies van tijd of zelfs een spin.
Ten tweede zorgt het voor spektakel. Zonder hulpsystemen zie je coureurs meer worstelen met de enorme kracht van een F1-motor. Denk aan Lewis Hamilton die in de regen van Silverstone perfect met zijn gaspedaal speelt, of een coureur die bij het uitkomen van een haarspeldbocht de achterkant laat uitbreken. Dat zijn momenten die met traction control niet zouden gebeuren.
De impact op het racen
Zonder traction control zijn starts veel uitdagender geworden. Coureurs moeten precies de juiste hoeveelheid gas geven om weg te komen zonder de wielen te laten doorslippen. In 2008, het eerste jaar zonder traction control, zagen fans meer foutjes en spektakel. Coureurs moesten hun rijstijl aanpassen en voorzichtiger zijn met het gaspedaal, vooral in tweede en derde versnelling waar F1-auto's enorm veel koppel hebben.